Je hebt een verslag in handen met tabellen, afkortingen en getallen tussen haakjes. Er is een gesprek van twintig minuten geweest waarin het te snel ging. En nu zit je thuis met een document waarvan je vermoedt dat er iets belangrijks in staat over je kind, zonder dat je het kunt lezen.

Dit stuk helpt je daarbij. Wat de WISC-V meet, hoe je de scores leest, wat elke indexscore in de klas betekent, wat het totaal-IQ wel en niet zegt, en welke vragen je meeneemt naar het adviesgesprek.

Dit artikel legt uit hoe een WISC-V-verslag is opgebouwd. Het is geen interpretatie van de uitslag van jouw kind. Die interpretatie hoort bij de onderzoeker die de test heeft afgenomen. Bespreek je vragen altijd met hem of haar.

Wat is de WISC-V?

De WISC-V is een intelligentieonderzoek voor kinderen van 6 tot en met 16 jaar. Het wordt afgenomen door een psycholoog of orthopedagoog en duurt doorgaans een uur tot anderhalf uur, soms verdeeld over twee sessies.

De test brengt het cognitief functioneren in kaart via vijf indexscores en een totaal-IQ. Wat het niet doet, is meten hoe slim je kind is in de alledaagse betekenis van dat woord. Het meet een aantal specifieke vaardigheden, op één moment, onder testomstandigheden.

Bron: Pearson, technische handleiding WISC-V-NL. Voor beroepsstandaarden: het NIP.

Hoe lees je de scores?

Normscores en het gemiddelde

Indexscores en het totaal-IQ zijn gebouwd rond een gemiddelde van 100. Scores tussen 90 en 110 gelden als gemiddeld. Losse subtests krijgen een geschaalde score met een ander bereik, waarbij 8 tot 12 gemiddeld is. Verwar die twee niet met elkaar. Een 11 op een subtest is iets heel anders dan een 11 op een index.

Percentielscores

Dit is voor ouders de meest bruikbare maat. Een percentiel van 75 betekent dat je kind hoger scoort dan 75 van de 100 leeftijdsgenoten. Vraag om de percentielen als ze niet in het verslag staan. Ze zeggen meer dan de ruwe getallen.

Betrouwbaarheidsintervallen

Achter elke score staat een marge, bijvoorbeeld 98 met daarachter iets als 92 tot 104. Dat interval is niet vrijblijvend. Het betekent dat de werkelijke score van je kind ergens in die bandbreedte ligt. Een testdag is een momentopname, en dat is precies wat die marge weergeeft.

Waarom je nooit naar één getal moet kijken

Een kind is geen getal. Twee kinderen met hetzelfde totaal-IQ kunnen totaal verschillende profielen hebben en totaal verschillende ondersteuning nodig hebben. De informatie zit in het patroon tussen de indexen, niet in de optelsom.

De vijf indexscores uitgelegd

Verbaal Begrip (VBI)

Wat het meet: taalvaardigheid, woordenschat, verbaal redeneren, kennis van de wereld.

Hoge score in de klas: je kind praat mee op niveau, legt dingen goed uit, weet veel. Kan verbaal indruk maken en daardoor overschat worden bij taken die iets anders vragen.

Lage score in de klas: moeite met instructies, met uitleggen wat het bedoelt, met teksten die veel taal vragen. Wordt soms onterecht gezien als "minder slim", terwijl het om taal gaat. Merk je dat vooral bij lezen? Lees dan meer over begrijpend lezen verbeteren.

Visueel Ruimtelijk (VRI)

Wat het meet: ruimtelijk inzicht, visueel analyseren en samenstellen.

Hoge score in de klas: sterk in meetkunde, constructie, tekenen, overzicht houden op een blad.

Lage score in de klas: moeite met meetkunde, met tabellen en grafieken, met de indeling van een werkblad.

Fluïd Redeneren (FRI)

Wat het meet: nieuwe problemen oplossen zonder eerdere kennis, verbanden zien, logisch redeneren.

Hoge score in de klas: kraakt onbekende opgaven, ziet snel patronen, heeft weinig uitleg nodig.

Lage score in de klas: heeft veel voorbeelden en herhaling nodig, valt om zodra een opgave anders gesteld wordt dan geoefend.

Werkgeheugen (WgI)

Wat het meet: informatie kort vasthouden én er tegelijk iets mee doen.

Hoge score in de klas: onthoudt instructies met meerdere stappen, rekent uit het hoofd zonder de draad kwijt te raken.

Lage score in de klas: vergeet de tweede helft van een opdracht, loopt vast in sommen met meerdere stappen, lijkt niet op te letten terwijl het gewoon vol zit. Dit is de index die het vaakst uitleg geeft aan problemen waar de leerkracht al langer tegenaan loopt.

Verwerkingssnelheid (VsI)

Wat het meet: hoe vlot je kind eenvoudige, routineuze taken uitvoert.

Hoge score in de klas: werkt vlot, is snel klaar, houdt tempo.

Lage score in de klas: doet lang over alles, komt niet af binnen de tijd, krijgt veel huiswerk mee omdat er in de klas niets af komt. Vaak wordt dit uitgelegd als traagheid of als gebrek aan motivatie, terwijl het over verwerkingstempo gaat.

Het totaal-IQ: wat het wel en niet zegt

Het totaal-IQ is de samenvatting van de vijf indexen. Het is bruikbaar als die vijf redelijk bij elkaar in de buurt liggen. Dan zegt het iets over het algemene niveau.

Liggen ze ver uit elkaar, dan wordt het totaal-IQ een gemiddelde van dingen die niets met elkaar te maken hebben. Een kind met een verbaal begrip van 125 en een verwerkingssnelheid van 80 krijgt een totaal-IQ dat geen van beide werkelijkheden beschrijft. Voor dat kind is het getal in het midden het minst informatieve cijfer in het hele verslag.

Vraag daarom altijd of het totaal-IQ in dit geval interpreteerbaar is. Goede verslagen vermelden dat zelf.

Wat is een disharmonisch profiel?

Van een disharmonisch profiel spreek je als er grote verschillen zitten tussen de indexscores. Dat komt vaak voor, en het is meestal het interessantste deel van het verslag.

Twee patronen die je regelmatig ziet:

Sterk verbaal begrip, zwak werkgeheugen. Je kind praat op hoog niveau mee en weet veel, maar vergeet halverwege een opdracht wat de bedoeling was. Volwassenen verwachten door dat verbale niveau meer zelfstandigheid dan het kind aankan. Dat leidt tot frustratie aan beide kanten.

Hoog redeneervermogen, lage verwerkingssnelheid. Je kind snapt de stof en kan complexe dingen oplossen, maar krijgt niets af binnen de tijd. In de klas ziet het eruit als lui of dromerig. In werkelijkheid duurt alles gewoon langer.

Bij beide profielen geldt hetzelfde: het probleem in de klas komt niet voort uit onvermogen om de stof te snappen. Het komt voort uit de mismatch tussen wat gevraagd wordt en waar het kind sterk in is.

Van uitslag naar aanpak

Hier zit de waarde van het hele onderzoek. Een paar voorbeelden van hoe je van score naar afspraak komt.

Wat je ziet Wat dat in de klas doet Wat je kunt afspreken
Laag werkgeheugen Vergeet stap twee en drie van een opdracht Instructie in kleine stukken, stappenkaart op tafel, opdracht laten herhalen
Lage verwerkingssnelheid Krijgt niets af binnen de tijd Minder sommen met hetzelfde doel, meer tijd, geen onnodig overschrijven
Zwak verbaal begrip Snapt de opdracht niet, snapt de stof wel Opdrachten in eenvoudiger taal, vooraf de moeilijke woorden doornemen
Sterk redeneren, zwakke basis Verveelt zich én maakt fouten Uitdaging op inhoud, ondersteuning op tempo en automatisering

Zulke afspraken horen in een handelingsplan of ondersteuningsplan te landen. Vraag daarom altijd wie ze vastlegt en wanneer ze geëvalueerd worden.

Wil je ze ook thuis oppakken, dan kan dat met de thuisaanpak: je oefent zelf kort met je kind volgens een programma dat wij elke week bijstellen.

Vragen die je meeneemt naar het adviesgesprek

  1. Welke score verklaart wat wij thuis en op school zien?
  2. Is het totaal-IQ in dit geval interpreteerbaar, of liggen de indexen te ver uit elkaar?
  3. Wat vielen jullie op tijdens de afname? Werktempo, concentratie, opgeven bij moeilijke opdrachten?
  4. Waren er omstandigheden die de uitslag beïnvloed kunnen hebben?
  5. Welke van deze scores is het meest bepalend voor het schoolwerk van mijn kind?
  6. Welke concrete aanpassingen adviseren jullie voor in de klas?
  7. Wat kunnen wij thuis anders doen op basis van dit profiel?
  8. Wat betekent dit voor het schooladvies of voor de overstap naar de middelbare school?
  9. Is er reden voor vervolgonderzoek, bijvoorbeeld richting dyslexie of dyscalculie?
  10. Wanneer evalueren we of de aanpassingen werken?

Neem deze lijst mee op papier. Twintig minuten is kort, en achteraf bedenk je altijd wat je had willen vragen.

Wat de WISC-V níet zegt

  • Het is geen diagnose. Een WISC-V stelt geen dyslexie, dyscalculie, ADHD of autisme vast. Het kan wel een onderdeel zijn van zo'n onderzoek. Over die twee lees je meer bij de kenmerken van dyscalculie en de signalen van dyslexie.
  • Het voorspelt geen schoolsucces. Doorzettingsvermogen, motivatie en thuissituatie wegen zwaar mee, en die meet de test niet.
  • Het zegt niets over creativiteit, sociale vaardigheden, humor of veerkracht.
  • Het is een momentopname. Ziek zijn, slecht geslapen hebben of gespannen zijn beïnvloedt de uitslag. Daarom staan die betrouwbaarheidsintervallen erbij.

Tot slot

Kijk naar het patroon, niet naar het getal. Vraag om de percentielen. En neem je vragen op papier mee naar het adviesgesprek.

Wil je hulp bij het vertalen van het verslag naar wat je thuis en op school kunt doen? We interpreteren de uitslag niet opnieuw, maar helpen je wel de vertaalslag naar begeleiding te maken.

Dit artikel legt uit hoe een WISC-V-verslag is opgebouwd. Het is geen interpretatie van de uitslag van jouw kind. Die interpretatie hoort bij de onderzoeker die de test heeft afgenomen. Bespreek je vragen altijd met hem of haar.

Plan een gratis kennismakingsgesprek
FAQ
Wat betekent een groot verschil tussen de indexscores?

Dat je kind ergens sterk in is en ergens anders zwak, en dat het gemiddelde daarvan weinig zegt. Zo'n verschil is vaak precies de verklaring voor wat er in de klas misgaat. Vraag de onderzoeker hoe vaak dit verschil voorkomt in de normgroep. Dat zegt iets over hoe bijzonder het is.

Bepaalt het IQ het schooladvies?

Nee. Het schooladvies komt van de basisschool en is gebaseerd op de leerresultaten over meerdere jaren, de werkhouding en de doorstroomtoets. Een WISC-V-uitslag kan onderdeel zijn van het gesprek, zeker bij een disharmonisch profiel, maar bepaalt het advies niet.

Mag mijn kind de WISC-V opnieuw doen?

Niet snel achter elkaar. Je kind onthoudt de opgaven, waardoor de tweede afname niet meer betrouwbaar is. Er wordt meestal een tussenperiode van minimaal een jaar tot twee jaar aangehouden. Vraag de onderzoeker wat in jullie situatie geldt.

Is de WISC-V nodig voor een dyslexie- of dyscalculieonderzoek?

Niet standaard. Bij dyslexiediagnostiek wordt vooral naar lezen en spellen gekeken. Een intelligentieonderzoek wordt ingezet als er twijfel is over de verklaring van de problemen. De onderzoeker bepaalt of dat nodig is.

Kan een IQ-score veranderen?

Een score kan bij een nieuwe afname anders uitvallen. Dat komt door meetruis, door de dagvorm en door ontwikkeling. Grote sprongen zijn zeldzaam. Kleine verschillen binnen het betrouwbaarheidsinterval zijn normaal en betekenen niet dat je kind slimmer of minder slim is geworden.

4.9
(269)
beoordelingen
4.9
(269)
Beoordeel ons op Google